Niets is minder waar
Door Lars | Maandag 9 februari 2026 | Crisis
Het is zaterdagochtend 7 februari en ik sta aan de start van IJsbrekers 2026, een toertocht van 180 rondjes voor de Hartstichting. Beetje verlaat, rond de klok van half tien, klinkt het startschot.
Ik had mij voorbereid op een goede stoempsessie in een toer-treintje: kniehoeken van 120 graden, buik goed naar voren, korte pasjes en veel op de buitenkanten rijden. Een beetje zoals mijn vader schaatste en het mij vroeger ook geleerd heeft. Wel wist ik dat ik in het snelste treintje wilde rijden; dat rijdt toch iets fijner dan wanneer je constant moet remmen en weer omhoog moet komen.
Niets was minder waar. Vanaf moment één begon de snelle trein te boren. Rondjes van 39 à 38 seconden werden op de klok gezet. Dat klinkt voor sommigen hard en voor anderen zacht, maar geloof me: voor 180 rondjes lang is dat serieus doorrijden.
Er was één man die de trein echt op gang trok. Toen hij na vijf rondjes afgaf en achter mij de trein instak, zag ik zijn gezicht en tot mijn grote verbazing was het Gianni Romme, olympisch kampioen op de 5000 meter in 1998.
Na 34 ronden in de boortrein van Romme gezeten te hebben, was ik toch wel een beetje stuk en heb ik even pauze genomen in een minder snelle trein, om zo nu en dan weer een paar rondjes achter deze kampioen aan te schaatsen. Een 5000 meter-kampioen die anderhalf uur lang rondjes onder de 40 seconden rijdt, en dat op zijn 52e.
Gianni Romme is een van de Nederlandse grootheden op de 5000 meter, een afstand waarop wij de afgelopen decennia heer en meester waren, net zoals de 10.000 meter in ons bloed zit.
Toen ik in het zuigje van Romme helemaal stuk aan het gaan was, had ik nog goede hoop dat wij na één weekend hoog op de medaillespiegel zouden staan. Wederom was niets minder waar. Na twee schaatsafstanden — de 3000 meter vrouwen en de 5000 meter mannen — staan we op nul medailles.
Waar we bij de vrouwen nog meededen om de medailles met een vierde plek van Joy Beune, was daar bij de mannen geen sprake van. Chris Huizinga was met een verdienstelijke zevende plaats de beste Nederlander. Het ergste was: hij kon er nog trots op zijn ook. Hij reed een sterke rit.
Voor het eerst sinds 1984 stond er geen enkele Nederlander op het podium. Dan denk je misschien: en daarvoor dan? Daarvoor waren de Noren vooral heer en meester op de op één na langste individuele afstand. Sander Eitrem heeft dat weer werkelijkheid gemaakt, in een ongelooflijk goede en mooie rit. Als kenner vind ik het enorm leuk om te zien dat er weer een Noor wint. Ik groeide op met de Noors-Nederlandse duels: Kramer vs. Bøkko, Pedersen vs. Roest en Lorentzen vs. Nuis.
Als je goed kijkt naar de statistieken zijn de Noren historisch gezien ook gewoon beter. Van de 25 keer dat de olympische 5000 meter is gereden, wonnen de Noren er tien en de Nederlanders zes. Toch is het even schrikken dat er na het tijdperk Kramer, Bergsma, Ritsma, Uytdehaage, Romme, Blokhuijsen en Roest geen nieuwe grootverdiener is aangediend. Stijn van de Bunt, wiens achterwerk een bekent gezicht is voor deze schrijver, wil er over vier jaar pas echt staan. Snellink is te wisselvallig, Huizinga mist de overtuiging en Bosker is maar een krabbelaar.
Kortom: nog geen medailles in Milaan. Maar waar moeten onze medailles dan vandaan komen deze Spelen? De komende dagen rijden zowel de vrouwen als de mannen misschien wel de kansrijkste afstand: de 1000 meter. De schrijver van dit artikel heeft zijn mening over deze afstand, die hij graag nog een keer vertelt. Maar het feit dat zelfs ik erken dat we met Jutta, Femke, Jenning en Joep de meeste kans maken op medailles, schept een nieuwe realiteit:
Nederland is een sprintersnatieHopelijk is niets minder waar…